Wie beslist over het zomeruur?

De Europese Raad

De Europese Raad bestaat uit de hoogste gekozen politieke vertegenwoordigers van de lidstaten: minister-presidenten en presidenten met uitvoerende bevoegdheden.

De voorzitter wordt voor een termijn van vijf jaar gekozen door de leden van de Europese Raad. 

De Raad

Deze bestaat uit 27 ministers, één uit elk van de lidstaten. Met ingang van 2014 wordt een nieuw systeem van dubbele meerderheid ingevoerd. Besluiten van de Raad moeten dan worden gesteund door 55% van de lidstaten die ten minste 65% van de Europese bevolking uitmaken.

Het Verdrag van Lissabon werd op 13 december 2007 door de 27 lidstaten van de Europese Unie ondertekend. Het initiatief houdt in dat een miljoen mensen - bij een totale EU-bevolking van 500 miljoen - uit een aantal lidstaten de Europese Commissie kan verzoeken met nieuwe beleidsvoorstellen te komen.

Er bestaat nu een 'gele kaart'-procedure:
Als één derde van de nationale parlementen een voorstel van de Europese Commissie niet ziet zitten, omdat ze vinden dat het beter nationaal dan Europees kan worden geregeld, moet de Commissie haar voorstellen 'opnieuw in overweging' nemen. Als de Commissie het voorstel toch wil handhaven, dan moet ze duidelijk maken waarom dat voorstel nodig is en tenslotte kan een lidstaat naar het Europees Hof van Justitie stappen als die vindt dat wat er in een vorstel staat, veel beter op nationaal niveau geregeld kan worden, en dat een Europese aanpak geen toegevoegde waarde heeft.

 

 

 

 

 Meer informatie vindt u op de Europawebsite: http://www.europa.eu.
Het adres van het dichtsbijzijnde EU-informatiecentrum vindt u op de website: http://europedirect.europa.eu.

 

Huidige situatie 

Voorstel aangenomen door het Europees Parlement om Richtlijn 2000/84 / EG af te schaffen.
Op 8 februari 2018  werd een resolutie over tijdswijzigingsregelingen aangenomen met 384 stemmen voor tegenover 153 tegen en 12 onthoudingen.
Dit betekent dat een voorstel werd gedaan om de tweejaarlijkse tijdswijziging af te schaffen. Volgens deze richtlijn zijn alle lidstaten vrij in het gebruiken van een uursverschuiving in voor-en najaar. Indien het land hiervan wel gebruik wenst te maken, moet het zich aan de begintijd en eindtijd houden van de wijziging. Tot nog toe streeft men ernaar om een harmonisering in de verschillende landen te bekomen om handel en transport te vergemakkelijken.

 

Wat voorafging...

UITTREKSEL UIT DE AANBEVELINGEN VAN DE EUROPESE RAAD

Aanbeveling 1432 (1999)
Naleven van de Europese tijdzones
(uittreksel uit de gegevensbank Office van de Europese Raad: november 1999)

(...)
4 Enerzijds hebben verschillende landen -om energie te besparen en langer van het daglicht te kunnen genieten- een wettelijke tijd ingevoerd die één uur vooruit loopt op hun tijdzone
5 Anderzijds hebben de meeste Europese landen, nog steeds om energie te besparen en beter  gebruik te kunnen maken van het natuurlijk licht, begin jaren ’80 een zogenaamde zomertijd ingevoerd, waarbij de klok tijdens de zomerperiode één uur vooruit gezet wordt.
(...)
8 Volgens een aantal recente wetenschappelijke onderzoeken en waarnemingen hebben dit belangrijk tijdverschil en de verschuiving van het dagritme ten opzichte van de meridiaantijd in deze landen een invloed op het milieu, de gezondheid en de fysische en psychologische conditie van de mens.
(...)
10 De waarnemingen die in deze landen gedaan werden, tonen dat de grote verschuiving van het dagritme ten opzichte van de zonnecyclus die de dubbele zomertijd met zich meebrengt, bij sommige mensen, vooral bij kinderen en bejaarden, slaapstoornissen en een tekort aan nachtrust veroorzaakt. Dit geeft op zijn beurt een invloed op de algemene conditie, het psychische evenwicht en de intellectuele prestaties.
11 In de landen met een dubbele zomertijd  stelt men nog andere negatieve effecten vast, in verschillende professionele en sociale werkingsdomeinen, terwijl de voordelen van deze dubbele zomertijd, ook op het vlak van energiebesparing,twijfelachtig en zelfs omstreden zijn.
12 Bijgevolg staat een groot deel van de bevolking  negatief tegenover het huidige tijdschema, te meer daar de invoering van dit schema niet gewettigd werd door een democratische procedure.
(...)
17 In Europa zelf , en meer bepaald binnen de Europese Unie, vormt het bestaan van verschillende tijdzones geen belemmering voor de
samenwerking tussen de landen die tot verschillende tijdzones behoren.
(...)
19 Bijgevolg raadt de Assemblée de Ministerraad aan om: de regeringen van de lidstaten waar de dubbele zomertijd bestaat, met name België, Spanje, Frankrijk, Luxemburg en Nederland , te vragen om te overwegen de wettelijke tijd van hun respectievelijke tijdzones in de winterweer in te voeren, rekening houdend met democratische procedures en in overleg met de organisaties die de verschillende socio- professionele sectoren en de burgergemeenschap vertegenwoordigen, en rekening houden met alle pertinente aspecten (...), de regeringen van alle lidstaten te vragen om objectieve en uitvoerige studies op te zetten over de voor- en nadelen van de toepassing van de zomertijd, met als doel samen te beslissen of het opportuun is deze maatregel te verlengen , rekening houden met de souvereiniteit en de democratische principes.

UITTREKSEL UIT DE PERSCONFERENTIE VAN 27 MAART 2002

Het Tribunaal van Straatsburg geeft na de expertise van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (najaar 2001) de Europese Vereniging voor een stabiel uur gelijk en schrijft op 14 januari in de ordonnantie, zaak T-84/01:

"de betreffende richtlijn legt enkel een datum en een gemeenschappelijk uur vast voor het begin en einde van de zomertijd…"

Dit kan alleen maar toegejuicht worden, maar deze uitspraak staat in contrast met de inhoud van het voorstel van de 9de richtlijn die duidt zowel op een verplichting van het toepassen van een zomeruur , als op een na te volgen tijdschema met de datums en uren voor het starten en stoppen van zomertijd in alle lidstaten (juni 2000).

 

Europa en de Europese Commissie

LAATSTE HERZIENING

Volgens artikel 5 uit de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie heeft de Commissie op 31 december 2007 verslag uitgebracht over de gevolgen van de bepalingen voor de betrokken sectoren, betreft het invoeren van een zomeruur. Dit verslag werd opgesteld op grond van de gegevens die elke lidstaat de Commissie voor 30 april 2007 verstrekte. Dit herhaalde zich in het verleden elke vijf jaar.

 

 

   

Schriftelijke vraag nr. 5-6763

van Gérard Deprez (MR) d.d. 18 juli 2012 (Gérard Deprez  (1943) is sinds 1 juni 2014 lid van het Europees Parlement.)
aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met
Beliris en de Federale Culturele Instellingen
Het behoud en de negatieve effecten van de uurwisseling/zomertijd 
Chronologie